Arbeidsovereenkomst

Hoofdstuk 2 Arbeids­overeenkomst

 
 
 

Artikel 2.1 | Sluiten van een arbeidsovereenkomst

 

De werkgever en de werknemer gaan de arbeidsovereenkomst schriftelijk aan.

 

Artikel 2.2 | Vacaturevervulling

 
  1.  

    De werkgever vervult een vacature bij voorkeur met een interne kandidaat, tenzij bedrijfs­- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.

  2.  

    Dit geldt ook voor oud­-werknemers die een uitkering op grond van hoofdstuk 10 krijgen voor rekening van de werkgever.

 

Artikel 2.3 | Kosten medische keuring

 

Als een medische keuring voor een bepaalde functie noodzakelijk is, betaalt de werkgever de kosten.

 

Artikel 2.4 | Oproepovereenkomst

 
  1.  

    De werkgever en de werknemer kunnen een oproepovereenkomst aangaan als in artikel 7:628a lid 9 BW.

  2.  

    Per maand wordt uitbetaling van salaris en salaristoelage(n) van minimaal 15 uur gegarandeerd. Middeling van gewerkte tijd gebeurt per kwartaal, als de oproepkracht in de maanden van het betreffende kwartaal meer of minder uur werkt.

  3.  

    In de oproepovereenkomst is in ieder geval opgenomen:

    1.  

      dat de werkgever verplicht is werkzaamheden aan de werknemer aan te bieden als werkzaamheden de inzet van de werknemer rechtvaardigen;

    2.  

      dat de werknemer zich in beginsel verbindt de aangeboden werkzaamheden te verrichten;

    3.  

      dat de werkgever de werknemer minimaal 24 uur van tevoren oproept;

    4.  

      dat de werkgever de tijdstippen waarbinnen de werkzaamheden moeten worden verricht minimaal 24 uur van tevoren meedeelt;

    5.  

      dat de werkgever een oproep tot 24 uur voor aanvang ten dele of volledig kan afzeggen. Bij afzegging of wijziging van de tijdstippen op kortere termijn moet de werkgever salaris en salaristoelage(n) uitbetalen alsof de werkzaamheden zijn vervuld;

    6.  

      dat de werknemer de werkzaamheden tot 24 uur voor aanvang kan afzeggen.

 

Artikel 2.5 | Vakantiekracht en andere bijzondere dienstverbanden

 
  1.  

    Op de werknemer die hoofdzakelijk voor een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming in dienst is, gelden de hoofdstukken 3, 4, 7, 8 met uitzondering van artikel 8.3, 9 en 10 niet.

  2.  

    Op de werknemer die als vakantiekracht in dienst is, gelden de hoofdstukken 3, 48, 9 en 10 niet.

  3.  

    De werknemer in lid 1 en lid 2 krijgt:

    1.  

      8% vakantietoelage over het voor de werknemer in de maand van opbouw geldende salaris en salaristoelage(n). Dit moet minimaal € 146,65 zijn bij een voltijddienstverband; en

    2.  

      1,5% over het voor de werknemer in de maand van opbouw geldende salaris. Dit moet minimaal € 33,33 zijn bij een voltijddienstverband; en

    3.  

      0,8% over het voor de werknemer in de maand van opbouw geldende salaris.

 

Artikel 2.6 | Payrollwerknemer

 
  1.  

    De werkgever spreekt schriftelijk met de uitlener af dat de arbeidsvoorwaarden, waaronder de beloning van de payrollwerknemer vanaf de eerste werkdag van de terbeschikkingstelling bij de werkgever gelijk zijn aan de arbeidsvoorwaarden van de werknemer in dienst van de werkgever, die een gelijke of gelijkwaardige functie vervult onder dezelfde of vergelijkbare omstandigheden.

  2.  

    Als de payrollwerknemer geen deelnemer is of kan worden bij de pensioenregeling ABP, dan spreekt de werkgever schriftelijk met de uitlener af dat de payrollwerknemer vanaf de eerste werkdag een toelage ontvangt voor pensioencompensatie.

  3.  

    De toelage is een percentage van het salaris van de payrollwerknemer. De toelage is gelijk aan het verschil tussen de totale werkgeverspremiepercentages van het ABP en de totale werkgeverspremiepercentages van een adequate pensioenregeling in de zin van artikel 8a Waadi waar de payrollwerknemer deelnemer is. Daarbij worden de percentages van het:

    1.  

      ouderdomspensioen,

    2.  

      nabestaandenpensioen en

    3.  

      arbeidsongeschiktheidspensioen

  4.  

    met elkaar vergeleken.

 
  1.  

    De werkgever verstrekt de uitlener schriftelijk alle informatie en middelen die nodig zijn om de toelage juist vast te stellen. De uitlener informeert vervolgens bij aanvang van de terbeschikkingstelling de payrollwerknemer schriftelijk als de payrollwerknemer een toelage krijgt. De werkgever controleert dan bij de uitlener of de payrollwerknemer de juiste toelage ontvangt.

 

Artikel 2.7 | Werknemer in doelgroep banenafspraak

 
  1.  

    De werkgever kan een takenpakket op maat aanbieden aan een werknemer die behoort tot de doelgroep van de banenafspraak. Dit geldt alleen als de werknemer niet in staat is om zelfstandig het wettelijk minimumloon te verdienen. Artikel 3.1 geldt in dit geval niet.

  2.  

    De werkgever en de werknemer in lid 1 kunnen een salaris overeenkomen met toepassing van salarisschaal A in artikel 3.3 lid 4 en lid 5. Artikel 3.3 geldt verder niet.

  3.  

    De minimumbedragen in artikel 4.2 lid 1, onder a, b en c gelden niet voor de werknemer die behoort tot de doelgroep van de banenafspraak.

  4.  

    Voor de werknemer die onder de Wajong doelgroep valt, kan op grond van artikel 3.3 lid 3 een salaris worden vastgesteld aan de hand van de functieschaal en de in dat artikel opgenomen salaristabel. Voorwaarde is dat de werknemer voldoende arbeidsvermogen heeft om zelfstandig een reguliere functie uit te oefenen of niet in aanmerking komt voor loondispensatie. 

  5.  

    De minimumbedragen in artikel 4.2 lid 1, onder a, b en c gelden voor de werknemer die onder de Wajong doelgroep valt en voldoende arbeidsvermogen heeft om zelfstandig een reguliere functie te vervullen. De minimum bedragen gelden naar rato van de loonwaarde en de deeltijdfactor.

  6.  

    De loonkostensubsidie uitgekeerd aan de werkgever is samen met het naar loonwaarde bepaalde salaris van de werknemer gelijk aan het wettelijk minimumloon.

  7.  

    Als de werknemer loondispensatie krijgt, wordt het salaris en salaristoelage(n) naar rato van de loonwaarde verminderd met de loondispensatie. Dit salaris vermeerderd met de Wajong­-aanvullingsuitkering is gelijk aan het wettelijk minimumloon.

 

Artikel 2.8 | Werkervaringsplaats

 
  1.  

    De werkgever kan op verzoek een werkervaringsplaats aanbieden. De werkervaringsovereenkomst is geen arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW. De persoon waarmee de werkgever een werkervaringsovereenkomst sluit, wordt in dit artikel wep-­er genoemd.

  2.  

    Deze cao geldt voor de werkervarings­overeenkomst, met uitzondering van de hoofdstukken 3, 4, 6, 7, 8, 9 en 10.

  3.  

    De werkervaringsovereenkomst wordt voor bepaalde tijd van maximaal 6 maanden aangegaan. De overeenkomst kan 1 keer worden verlengd met maximaal 6 maanden.

  4.  

    In overleg worden de werkzaamheden bepaald. Het leerproces van de wep­-er staat daarbij centraal. De werkgever zorgt voor goede begeleiding.

  5.  

    De wep-er krijgt een onkostenvergoeding.

  6.  

    De wep­-er is geen werknemer in de zin van hoofdstuk 2 van het Pensioenreglement.

 

Artikel 2.9 | Stageovereenkomst

 
  1.  

    De werkgever kan een student een stageovereenkomst aanbieden voor opleiding, studie of onderzoek. De stageovereenkomst is geen arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW.

  2.  

    Deze cao geldt voor de stageovereenkomst, met uitzondering van de hoofdstukken 3, 4, 6, 7, 8, 9 en 10.

  3.  

    De stageovereenkomst wordt voor bepaalde tijd aangegaan. De duur van de overeenkomst is afhankelijk van de leerdoelen van de stagiair.

  4.  

    De werkzaamheden van de stagiair worden samen met de stagiair en de onderwijsinstelling bepaald. Het leerproces van de stagiair staat daarbij centraal. De werkgever zorgt voor goede begeleiding.

  5.  

    De stagiair kan een onkostenvergoeding krijgen.

  6.  

    De stagiair is geen werknemer in de zin van hoofdstuk 2 van het Pensioenreglement.

 

Artikel 2.10 | Einde arbeidsovereenkomst bij bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd

 
  1.  

    De arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege met ingang van de dag waarop de werknemer de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.

  2.  

    Van beëindiging van de arbeidsovereenkomst in lid 1 kunnen werkgever en werknemer afzien, als zij dat met elkaar afspreken.