Geldend met ingang van 01-01-2023

Hoofdstuk 6 Geldend met ingang van 01-01-2023

 
 

§1 | VAKANTIE

 

Artikel 6.1 | Wettelijke vakantie-uren

 
  1.  

    In elk kalenderjaar heeft de werknemer recht op wettelijke vakantie ter grootte van vier maal de formele arbeidsduur per week met behoud van salaris en salaristoelage(n).

  2.  

    De wettelijke vakantie-uren vervallen 12 maanden na het kalenderjaar waarin deze vakantie-uren zijn opgebouwd. De vakantie-uren vervallen niet als:

    1.  

      de werknemer om medische redenen redelijkerwijs niet in staat was om vakantie op te nemen; of

    2.  

      opname door bedrijfs- of dienstbelangen niet mogelijk was.

  3.  

    De werknemer kan verzoeken de wettelijke vakantie-uren in te zetten voor een langere vakantieperiode. De werkgever kan daarvoor de termijn in lid 2 verlengen.

 

Artikel 6.2 | Bovenwettelijke vakantie-uren

 
  1.  

    De werknemer met een voltijddienstverband krijgt 43,2 bovenwettelijke vakantie-uren naast de vakantie in artikel 6.1 lid 1.

  2.  

    De werkgever kan van de vakantie maximaal 2 dagen aanwijzen als feestdagen in artikel 6.6 onder g of als verplichte sluitingsdagen.

  3.  

    In afwijking van lid 1 behoudt de werknemer die op 31 december 2022 recht had op meer dan 43,2 bovenwettelijke vakantie-uren en die geboren is vóór 1 januari 1963, recht op zijn bovenwettelijke vakantie-uren tot het einde van het dienstverband.

  4.  

    In afwijking van lid 1 wordt voor de werknemer die op 31 december 2022 recht had op meer dan 43,2 bovenwettelijke vakantie-uren en die geboren is op of na 1 januari 1963, zijn recht op bovenwettelijke vakantie-uren met ingang van 1 januari 2023 jaarlijks teruggebracht met 7,2 uur tot het recht 43,2 bovenwettelijke vakantie-uren is.

 

Artikel 6.3 | Verlofsparen

 
  1.  

    De werknemer kan verlofsparen.

  2.  

    De verlofspaaruren verjaren niet.

  3.  

    De bronnen van de verlofspaaruren zijn:

    1.  

      het verlof uit de overwerkvergoeding in artikel 3.19 lid 6, onder b;

    2.  

      de bovenwettelijke vakantie-uren gekocht uit het IKB in artikel 4.3 lid 1, onder a;

    3.  

      de bovenwettelijke vakantie-uren uit artikel 6.2;

    4.  

      de bovenwettelijke vakantie-uren bij onregelmatig werken en beschikbaarheidsdienst in artikel 6.4;

    5.  

      het verlof uit de voormalige verlofspaarmogelijkheid in artikel 6.18.

  4.  

    De werknemer kiest uit lid 3 welke uren hij spaart.

  5.  

    De werknemer met een voltijdsdienstverband mag op 31 december van een kalenderjaar maximaal 3600 uren verlof hebben. Hieronder vallen de verlofspaaruren, de wettelijke vakantie-uren, de bovenwettelijke vakantie-uren en andere (compensatie)verlofuren.

  6.  

    Als de werknemer verlofspaaruren opneemt voor een periode van een maand of langer, geldt artikel 6.14 lid 2 tot en met 6.

  7.  

    Als de werknemer arbeidsongeschikt is, geldt artikel 6.16.

  8.  

    De werknemer neemt voor het einde van de arbeidsovereenkomst zijn verlofspaaruren zoveel mogelijk op in overleg met de werkgever.

 

Artikel 6.4 | Bovenwettelijke vakantie-uren bij onregelmatig werken en beschikbaarheidsdienst

 
  1.  

    De werknemer krijgt 14,4 uur bovenwettelijke vakantie als hij:

    1.  

      regelmatig en overwegend op onregelmatige uren werkt in artikel 3.11; of

    2.  

      regelmatig en in belangrijke mate beschikbaar moet zijn in artikel 3.13.

  2.  

    De 14,4 uur geldt ook voor werknemers met een deeltijddienstverband.

 

Artikel 6.5 | Verkoop van bovenwettelijke vakantie-uren

 
  1.  

    De werknemer kan elk kalenderjaar maximaal 72 bovenwettelijke vakantie-uren verkopen. Voor de werknemer met een deeltijddienstverband wordt dit aantal naar rato vastgesteld.

  2.  

    Bovenwettelijke vakantie-uren die de werknemer heeft gekocht uit het IKB, kan hij niet verkopen.

  3.  

    De werkgever wijst een verzoek in lid 1 toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.

 

§2 | VERLOF

 

§2.1 | FEESTDAGEN

 

Artikel 6.6 | Feestdagen

 

De werknemer heeft verlof met behoud van salaris en salaristoelage(n) op:

 
  1.  

    Nieuwjaarsdag;

  2.  

    tweede Paasdag;

  3.  

    Koningsdag;

  4.  

    Hemelvaartsdag;

  5.  

    tweede Pinksterdag;

  6.  

    eerste en tweede Kerstdag;

  7.  

    lokale feestdagen, aangewezen door de werkgever met een maximum van 2 dagen.

 

§2.2 | WAZO-VERLOF

 

Artikel 6.7 | Kortdurend zorgverlof

 
  1.  

    Het kortdurend zorgverlof komt voor 50% voor rekening van de werknemer en voor 50% voor rekening van de werkgever.

  2.  

    De werkgever en de werknemer komen samen de manier van verrekening van het verlof overeen. Verrekening met bovenwettelijke vakantie-uren is mogelijk.

 

Artikel 6.8 | Langdurend zorgverlof

 
  1.  

    De werknemer met langdurend zorgverlof krijgt 50% van het salaris en salaristoelage(n) doorbetaald.

  2.  

    Arbeidsongeschiktheid van de werknemer tijdens het langdurend zorgverlof leidt niet tot opschorting van het langdurend zorgverlof.

  3.  

    Is de werknemer 7 kalenderdagen arbeidsongeschikt tijdens het langdurend zorgverlof, dan krijgt de werknemer vanaf de achtste kalenderdag weer het volledige salaris en salaristoelage(n).

 

Artikel 6.9 | Zwangerschaps- en bevallingsverlof

 
  1.  

    De werknemer met zwangerschaps- en bevallingsverlof krijgt het volledige salaris en salaristoelage(n) doorbetaald.

  2.  

    De werknemer werkt mee aan de aanvraag en de uitbetaling van de Wazo-uitkering.

  3.  

    De Wazo-uitkering wordt in mindering gebracht op het bedrag waarop de werknemer in lid 1 recht heeft.

  4.  

    Handelingen of nalaten van handelingen door de werknemer kunnen gevolgen hebben voor de Wazo-uitkering. De uitkering kan worden verminderd, geheel of gedeeltelijk geweigerd, of een boete kan worden opgelegd. Is sprake van schuld van de werknemer, dan wordt de volledige Wazo-uitkering op het salaris en salaristoelage(n) verminderd.

 

Artikel 6.10 | Ouderschapsverlof

 
  1.  

    De werknemer met ouderschapsverlof krijgt gedurende maximaal 13 keer de formele arbeidsduur per week een percentage van zijn salaris en salaristoelage(n) doorbetaald. Het percentage is bij:

  2.  
     
    • Salarisschaal
      Percentage doorbetaling salaris en salaristoelage(n)
    • schaal 1
       
      90%
    • schaal 2
       
      85%
    • schaal 3
       
      80%
    • schaal 4
       
      70%
    • schaal 5
       
      60%
    • schaal 6 en hoger
       
      50%
 
  1.  

    In afwijking van lid 1, kan de werknemer met ouderschapsverlof naar wens 100% doorbetaling van zijn salaris en salaristoelage(n) krijgen. De duur van het betaalde ouderschapsverlof in lid 1 wordt dan evenredig verlaagd. De volgende rekenformule is van toepassing:

    1.  

      13 maal de formele arbeidsduur per week, vermenigvuldigd met het op de werknemer toepasselijke percentage in lid 1.

 
  1.  

    Het aantal uren dat uit deze berekening komt, zijn de uren waarop de werknemer recht heeft op 100% doorbetaling van zijn salaris en salaristoelage(n) tijdens ouderschapsverlof.

 
  1.  

    In afwijking van lid 1, kan de werknemer zelf een percentage doorbetaling van zijn salaris en salaristoelage(n) kiezen. Bij een verlaging van het percentage doorbetaling van het salaris en de salaristoelage(n), neemt het aantal uren gedeeltelijk betaald ouderschapsverlof toe. De gewenste balans tussen het aantal uren gedeeltelijk betaald ouderschapsverlof en het percentage van de doorbetaling van zijn salaris en salaristoelage(n) kan als volgt worden berekend:

    1.  

      100% gedeeld door het gewenste percentage doorbetaling van zijn salaris en salaristoelage(n), vermenigvuldigd met het aantal uren berekend in lid 2

 
  1.  

    Het aantal uren dat uit deze berekening volgt, zijn de uren waarop de werknemer recht heeft 28 op het door hem gewenste percentage doorbetaling van zijn salaris en salaristoelage(n) tijdens ouderschapsverlof.

 
  1.  

    De werknemer mag tijdens het betaald ouderschapsverlof geen betaald werk verrichten. De werkgever kan hierover aanvullende regels stellen.

  2.  

    Bij twee- of meerlingen bestaat voor 1 kind recht op betaald ouderschapsverlof.

  3.  

    De werknemer betaalt het salaris en salaristoelage(n), die hij tijdens het ouderschapsverlof heeft gekregen, terug als hij zijn arbeidsovereenkomst opzegt of ontslagen wordt op staande voet of wegens verwijtbaar handelen. Deze verplichting geldt niet als de opzegdatum minimaal 6 maanden later is dan de datum waarop het betaalde ouderschapsverlof is geëindigd.

  4.  

    De werknemer die zelf de arbeidsovereenkomst opzegt, heeft geen terugbetalingsverplichting als hij:

    1.  

      na ontslag in de sector gemeenten blijft werken; of

    2.  

      recht heeft op een WW-uitkering omdat hij zijn echtgenoot of geregistreerde partner volgt, die door geheel buiten hem liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats moet wijzigen.

  5.  

    De werknemer heeft een terugbetalingsverplichting als hij tijdens het betaald ouderschapsverlof of binnen 3 maanden daarna op zijn verzoek minder uren gaat werken dan hij direct voor ingang van het ouderschapsverlof vervulde. De werknemer betaalt het salaris en salaristoelage(n) die hij op grond van dit artikel heeft gekregen over de uren waarmee zijn arbeidsovereenkomst wordt verminderd, terug.

  6.  

    De werknemer die van het betaald ouderschapsverlof gebruik maakt, gaat schriftelijk akkoord met de terugbetalingsverplichting.

  7.  

    Het bedrag dat op grond van dit artikel aan de werknemer wordt doorbetaald, opgeteld bij zijn wettelijke uitkering tijdens ouderschapsverlof, mag per maand niet meer bedragen dan 100% van zijn salaris en salaristoelage(n).

 

Artikel 6.11 | Aanspraken tijdens onbetaald Wazo-verlof

 
  1.  

    Over onbetaald Wazo-verlof krijgt de werknemer geen salaris, salaristoelagen, vergoedingen en uitkeringen op grond van de cao.

  2.  

    Tijdens onbetaald Wazo-verlof krijgt de werknemer, in afwijking van lid 1, wel de gehele tegemoetkoming in de kosten van de zorgverzekering zoals in artikel 3.24.

  3.  

    Tijdens onbetaald Wazo-verlof blijft het verhaal van de pensioenpremies en VPL-premie voor de werkgever en werknemer gelijk aan het bedrag dat volgens het Pensioenreglement verschuldigd is. Duurt onbetaald Wazo-verlof langer dan 3 maanden, dan verhaalt de werkgever naast het verschuldigde werknemersdeel van de premies ook het verschuldigde werkgeversdeel van de premies op de werknemer. Bij gedeeltelijk Wazo-verlof wordt het verhaal naar rato vastgesteld.

  4.  

    Artikel 6.14 geldt niet voor onbetaald Wazo-verlof.

 

Artikel 6.12 | Adoptie- en pleegzorgverlof

 
  1.  

    De werknemer met adoptie- of pleegzorgverlof krijgt het volledige salaris en salaristoelage(n) doorbetaald.

  2.  

    De werknemer werkt mee aan de aanvraag en de uitbetaling van de Wazo-uitkering.

  3.  

    De Wazo-uitkering wordt in mindering gebracht op het bedrag waarop de werknemer in lid 1 recht heeft.

  4.  

    Handelingen of nalaten van handelingen door de werknemer kunnen gevolgen hebben voor de Wazo-uitkering. De uitkering kan worden verminderd, geheel of gedeeltelijk geweigerd, of een boete kan worden opgelegd. Is sprake van schuld van de werknemer, dan wordt de volledige Wazo-uitkering op het salaris en salaristoelage(n) verminderd.

  5.  

    Is de werknemer tijdens adoptie- en pleegzorgverlof arbeidsongeschikt, dan schort dit de termijnen in artikel 7.1 niet op.

 

§2.3 | ANDERE VORMEN VAN VERLOF

 

Artikel 6.13 | Huwelijk of geregistreerd partnerschap

 

Op de huwelijksdag of de dag waarop de werknemer een geregistreerd partnerschap aangaat, krijgt hij verlof met behoud van salaris en salaristoelage(n).

 

Artikel 6.14 | Onbetaald verlof

 
  1.  

    De werknemer die minimaal 12 maanden in dienst is, kan om onbetaald verlof verzoeken.

  2.  

    Het onbetaalde verlof:  

    1.  

      duurt minimaal 1 maand en maximaal 18 maanden in een periode van 5 jaar;

    2.  

      wordt voor maximaal 1 periode per kalenderjaar gegeven.

  3.  

    De werkgever kan afwijken van lid 1 en 2.

  4.  

    De werknemer dient het verzoek minimaal 3 maanden voor de gewenste ingangsdatum in.

  5.  

    Het onbetaalde verlof kan tussentijds niet worden beëindigd. Dit kan alleen als de werkgever en de werknemer hiermee instemmen.

  6.  

    Een verzoek om onbetaald verlof direct voorafgaand aan de pensionering wordt voor maximaal 36 maanden toegekend, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.

  7.  

    Artikel 6.11 is van overeenkomstige toepassing op onbetaald verlof.

 

Artikel 6.15 | Samenloop onbetaald verlof met zwangerschaps- en bevallingsverlof

 

Het onbetaald verlof eindigt op de eerste dag van het zwangerschaps- en bevallingsverlof.

 

Artikel 6.16 | Samenloop onbetaald verlof met arbeidsongeschiktheid

 
  1.  

    Is de werknemer die voor een deel van zijn formele arbeidsduur onbetaald verlof heeft arbeidsongeschikt, dan eindigt het verlof met ingang van de vijftiende kalenderdag van arbeidsongeschiktheid.

  2.  

    Is de werknemer die voor zijn volledige formele arbeidsduur onbetaald verlof heeft langer dan 14 kalenderdagen arbeidsongeschikt, dan kan de werkgever in schrijnende gevallen besluiten het onbetaald verlof te beëindigen. Dit kan niet wanneer er sprake is van verlof voorafgaand aan pensionering.

 

Artikel 6.17 | Politiek verlof

 
  1.  

    In aanvulling op artikel 7:643 BW heeft ook de werknemer die gekozen is als lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal verlof zonder behoud van salaris en salaristoelage(n).

  2.  

    De werkgever kan ter uitvoering hierover aanvullende regels stellen.

 

Artikel 6.18 | Verlof voormalige verlofspaarmogelijkheid

 

De werknemer die voor 1 april 2006 in het kader van de voormalige verlofspaarmogelijkheid verlof heeft opgebouwd, behoudt het recht op dat verlof volgens de regels in bijlage 5B.