Uitkeringen

Hoofdstuk 10 Uitkeringen

 
 

§1 | AANVULLENDE UITKERING

 

Artikel 10.1 | Recht op een aanvullende uitkering

 
     
  1. Recht op een aanvullende uitkering heeft de oud-werknemer:

       
    1. van wie de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:669 lid 3, onder a BW is opgezegd door de werkgever en het Van werk naar werk-traject volledig heeft doorlopen; of

    2.  
    3. van wie de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:669 lid 3, onder d BW is opgezegd door de werkgever en minimaal 24 maanden in dienst is geweest bij de werkgever; en

    4.  
    5. die recht heeft op een werkloosheidsuitkering en deze krijgt.

  2.  
  3. De oud-werknemer geeft voor een correcte uitbetaling steeds alle gegevens door die daarvoor nodig zijn.

 

Artikel 10.2 | Hoogte aanvullende uitkering

 
     
  1. De grondslag voor de aanvullende uitkering is: het salaris, de salaristoelage(n), de TOR en het IKB uit artikel 4.2 lid 1, onder a en b. Deze grondslag is het gemiddelde maandbedrag over de periode van 12 maanden direct vooraf aan de start van het Van werk naar werk­traject. Deze grondslag volgt de generieke salarisverhoging in de sector gemeenten.

  2.  
  3. De aanvullende uitkering is een percentage van de grondslag uit lid 1 over het aantal uren dat de oud-werknemer werkloos is. De aanvullende uitkering kent 2 fases.

  4.  
  5. In fase 1 is de aanvullende uitkering:

 
  • Fase 1 | Hoogte grondslag van de oud-werknemer
    Percentage van de grondslag
  • Tot € 4.375,-
     
    10%
  • Van € 4.375,- tot € 5.250,-
     
    20%
  • Vanaf € 5.250,-
     
    30%
 
     
  1. In fase 2 is de aanvullende uitkering:

 
  • Fase 2 | Hoogte grondslag van de oud-werknemer
    Percentage van de grondslag
  • Van € 4.375,- tot € 5.250,-
     
    10%
  • Van € 5.250,- tot € 6.560,-
     
    20%
  • Vanaf € 6.560,-
     
    30%
 

Artikel 10.3 | Duur aanvullende uitkering

 
     
  1. Fase 1 van de aanvullende uitkering duurt 12 maanden. Deze fase begint vanaf de ontslagdatum.

  2.  
  3. Fase 2 van de aanvullende uitkering begint direct na afloop van fase 1 en duurt tot het einde van de werkloosheidsuitkering.

  4.  
  5. Als de werkloosheidsuitkering herleeft, dan herleeft ook de aanvullende uitkering. De duur van fase 1 loopt door in de periode waarover geen werkloosheidsuitkering is ontvangen.

 

Artikel 10.4 | Sancties aanvullende uitkering

 

Als een sanctie op grond van de Werkloosheidswet wordt toegepast op de werkloosheidsuitkering, wordt deze sanctie op dezelfde manier toegepast op de aanvullende uitkering.

 

§2 | NA-WETTELIJKE UITKERING

 

Artikel 10.5 | Recht op een na-wettelijke uitkering

 
     
  1. De werknemer die recht had op een aanvullende uitkering heeft recht op een na-wettelijke uitkering als:

       
    1. hij direct aansluitend op de werkloosheidsuitkering nog steeds werkloos is; en

    2.  
    3. hij voor een correcte uitbetaling steeds alle gegevens doorgeeft die daarvoor nodig zijn.

  2.  
  3. Bij opzegging van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7.669 lid 3, onder d BW door de werkgever geldt als extra voorwaarde dat de reden voor het ontslag binnen de werksfeer ligt.

 

Artikel 10.6 | Hoogte na-wettelijke uitkering

 
     
  1. De na-wettelijke uitkering bij werkloosheid voor 36 uur of meer is gelijk aan de hoogte van de werkloosheidsuitkering, als deze zou zijn voortgezet. Bij werkloosheid van minder dan 36 uur, wordt het bedrag van de uitkering berekend naar rato van het aantal uren dat de werknemer werkloos is.

  2.  
  3. De na-wettelijke uitkering en het inkomen dat de werknemer uit of in verband met werk ontvangt, mag niet hoger zijn dan 90% van de grondslag uit artikel 10.2 lid 1. Het meerdere wordt gekort op de na­wettelijke uitkering.

 

Artikel 10.7 | Duur na-wettelijke uitkering

 

De na-wettelijke uitkering is 1 maand per dienstjaar in de sector gemeenten keer een correctiefactor:

 
     
  1. 1,4 voor dienstjaren tot de leeftijd van 40 jaar;

  2.  
  3. 2 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 40 tot de leeftijd van 50 jaar;

  4.  
  5. 3 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 50 jaar.

 

Artikel 10.8 | Einde na-wettelijke uitkering

 

De na-wettelijke uitkering eindigt:

 
     
  1. na afloop van de duur van de uitkering;

  2.  
  3. als de werkloosheid eindigt; of

  4.  
  5. op de dag waarop de werknemer de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt.

 

Artikel 10.9 | Sancties na-wettelijke uitkering

 

Sancties worden toegepast volgens het verplichtingen- en sanctieregime van de WW. 

 

Artikel 10.10 | Afkoop na-wettelijke uitkering

 
     
  1. De werkgever kan op verzoek van de werknemer voorafgaand aan de uitkeringsperiode de na-wettelijke uitkering afkopen.

  2.  
  3. De werkgever bepaalt de hoogte van het afkoopbedrag en de voorwaarden waaronder wordt afgekocht.

 

§3 | REPARATIE-UITKERING

 

Artikel 10.11 | Toepassing

 

De reparatie-uitkering geldt voor de oud-werknemer: 

 
     
  1. die recht heeft op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet; of

  2.  
  3. van wie het recht op een uitkering op grond van de Werkloosheidswet is geëindigd, maar op grond van de Werkloosheidswet, zoals die gold op 31 december 2015, nog recht op een uitkering zou hebben gehad.

 

Artikel 10.12 | Recht op reparatie-uitkering

 
     
  1. De oud-werknemer krijgt een reparatie-uitkering als:

       
    1. de werkloosheid aansluitend op de WW-uitkering voortduurt; en

    2.  
    3. hij een arbeidsverleden van meer dan 10 jaar heeft en zijn WW-opbouw lager is dan de WW-opbouw die gold op 31 december 2015; of

    4.  
    5. een WW-uitkering met een kortere duur is toegekend volgens de WW, dan zou hebben gegolden volgens de WW op 31 december 2015.

  2.  
  3. De oud-werknemer geeft de werk­gever de gegevens en informatie van het UWV die van invloed kunnen zijn op het recht, de hoogte en de duur van de reparatie-uitkering.

 

Artikel 10.13 | Hoogte reparatie-uitkering

 
     
  1. De hoogte van de reparatie-uitkering is gelijk aan de hoogte van WW-uitkering als deze niet zou zijn geëindigd.

  2.  
  3. De volledige reparatie-uitkering is gebaseerd op een werkloosheid van 36 uur per week. Is de oud-werknemer minder dan 36 uur per week werkloos, dan wordt het bedrag van de reparatie-uitkering berekend naar rato van het aantal uren dat de oud-werknemer werkloos is.

 

Artikel 10.14 | Opbouw en duur van de reparatie-uitkering

 
     
  1. De opbouw van de reparatie-uitkering voor de oud-werknemer die werkloos wordt met meer dan 10 jaar arbeidsverleden, is een halve maand per dienstjaar.

  2.  
  3. De opbouw van de reparatie-uitkering voor de oud-werknemer die werkloos wordt met meer dan 24 jaar arbeidsverleden, is 1 maand per verstreken kalenderkwartaal.

  4.  
  5. De duur van de reparatie-uitkering is gelijk aan het verschil tussen de duur van de WW-uitkering op 31 december 2015 en de duur van de WW-uitkering op of na 1 januari 2016, inclusief de opschuiving van de einddatum door herleving.

 

Artikel 10.15 | Sancties reparatie-uitkering

 

Sancties worden toegepast volgens het verplichtingen- en sanctieregime van de WW. 

 

Artikel 10.16 | Premie reparatie-uitkering

 
     
  1. Dit artikel geldt alleen voor de werk­nemer in deze cao, niet voor de oud-werknemer.

  2.  
  3. De werkgever houdt maandelijks een werknemerspremie in op het salaris van de werknemer die de AOW-gerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt.

  4.  
  5. De hoogte van de premie is 0,1% van het salaris en salaristoelage(n). De hoogte van de premie kan jaarlijks bij cao worden aangepast.

  6.  
  7. De berekeningsgrondslag is maximaal het maximum-premieloon in artikel 17 van de Wet financiering sociale verzekeringen.

 

Artikel 10.17 | Einde reparatie-uitkering

 

De reparatie-uitkering eindigt:

 
     
  1. na afloop van de duur van de uitkering;

  2.  
  3. op de dag waarop de werkloosheid eindigt;

  4.  
  5. op de dag waarop de werknemer de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt;

  6.  
  7. na een periode van 13 weken van voortdurende arbeidsongeschiktheid door ziekte.

 

Artikel 10.18 | Herleven reparatie-uitkering

 
     
  1. De oud-werknemer kan na aanvaarding van een nieuw dienstverband opnieuw werkloos worden. Het recht op de reparatie-uitkering dat gedeeltelijk of geheel is geëindigd, herleeft dan op verzoek van de oud-werknemer. Dit geldt alleen als bij de beëindiging van het nieuwe dienst verband geen nieuw recht op een WW-uitkering volgens de WW is ontstaan.

  2.  
  3. De duur en de hoogte van de herleefde reparatie-uitkering zijn gelijk aan de duur en hoogte van de reparatie-uitkering waarop de oud-werknemer nog recht zou hebben gehad, als hij onafgebroken werkloos zou zijn geweest.

  4.  
  5. De reparatie-­uitkering kan niet meer herleven als de maximale uitkeringsduur van de reparatie-­uitkering is verstreken.

 

Artikel 10.19 | Afkoop reparatie-uitkering

 
     
  1. De werkgever kan op verzoek van de oud­-werknemer voorafgaand aan de uitkeringsperiode de reparatie-uitkering afkopen.

  2.  
  3. De werkgever bepaalt de hoogte van het afkoopbedrag en de voorwaarden waaronder wordt afgekocht.

 

§4 | OVERLIJDENSUITKERING

 

Artikel 10.20 | Overlijdensuitkering

 
     
  1. Na het overlijden van een werknemer krijgen de nagelaten betrekkingen een overlijdensuitkering van 3 keer het laatst gekregen salaris en salaristoelage(n), vermeerderd met 8%. Deze overlijdensuitkering is inclusief de wettelijke overlijdensuitkering in artikel 7:674 lid 2 tot en met lid 6 BW.

  2.  
  3. Bij overlijden van een werknemer als rechtstreeks gevolg van een ongeval in- en door de dienst is de overlijdensuitkering van 1 jaar salaris en salaristoelage(n) berekend over het salaris over de laatste 12 kalendermaanden voorafgaand aan de maand van overlijden, vermeerderd met 8%. Deze overlijdensuitkering is inclusief de wettelijke overlijdensuitkering in artikel 7:674 lid 2 tot en met lid 6 BW.

  4.  
  5. Als de werkgever een uitkering krijgt van een verzekeraar vanwege dat ongeval in- en door de dienst, dan geeft de werkgever die uitkering aan de nagelaten betrekkingen. Dat geldt alleen voor dat deel van de uitkering van de verzekeraar dat hoger is dan de uitkering in lid 2. 

 

§5 | BIJZONDERE UITKERING BIJ ONTSLAG OF DEFINITIEVE HERPLAATSING, BIJ MINDER DAN 35% ARBEIDSONGESCHIKTHEID

 

Artikel 10.21 | Recht op een bijzondere uitkering

 
     
  1. De werknemer die in het derde ziektejaar voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is heeft recht  op een bijzondere uitkering bij het aanvaarden van werk bij de eigen of bij een andere werkgever,  waarmee de volledige resterende verdien capaciteit wordt benut. De restverdiencapaciteit wordt door UWV vastgesteld.

  2.  
  3. Voorwaarde voor het recht op de bijzondere uitkering is dat de werknemer alle gegevens aan de werkgever geeft die van invloed kunnen zijn op de hoogte van de bijzondere uitkering.

 

Artikel 10.22 | Hoogte bijzondere uitkering

 
     
  1. De bijzondere uitkering is 75% van het verschil tussen het totaal aan inkomen dat de werknemer met werk verdient en het salaris en de toegekende salaristoelage(n) dat de werknemer verdiende voorafgaand aan het aanvaarden van het nieuwe werk.

  2.  
  3. Op de bijzondere uitkering wordt de werkloosheidsuitkering in mindering gebracht.

 

Artikel 10.23 | Duur bijzondere uitkering

 

De maximale duur van de bijzondere uitkering is 5 jaar na aanvaarding van het nieuwe werk.

 

§6 | PASSENDE REGELING BIJ VERSTOORDE ARBEIDSVERHOUDING

 

Artikel 10.24 | Passende regeling bij verstoorde arbeidsverhouding

 
     
  1. De werkgever die het voornemen heeft om de kantonrechter te vragen de arbeidsovereenkomst met een werknemer op grond van een verstoorde arbeidsverhouding te ontbinden, treft voor die werknemer een passende regeling.

  2.  
  3. De werkgever betrekt bij het bepalen van de passende regeling voor zover dat redelijk en billijk is, de inhoud van paragraaf 1 en 2 van hoofdstuk 10 en 7:673 BW over de toekenning van een transitievergoeding.

 

§7 | GENERIEKE SALARISVERHOGING

 

Artikel 10.25 | Indexatie

 

De uitkeringen in dit hoofdstuk worden geïndexeerd met de generieke salaris­verhoging in de sector gemeenten.